12 ab

Hij & ik

Eigenlijk heet hij lakanthurium, maar in Hij & Ik staat de merkwaardige groenrode plant bekend als ‘Pik op Schotel’. Want het is ‘een schaaltje op een paaltje’ en uit het midden van dat schaaltje ‘priemde een lichtgroene punt de lucht in’. ‘Hoe ik op die naam ben gekomen?’ vraagt Judith Eiselin (37). ‘Gewoon omdat hij er zo uitziet – toch? Met een beetje fantasie? Wij hadden vroeger thuis zo’n plant. We vonden hem zo lelijk dat we hem wegstopten in de badkamer, achter het handdoekenrekje.’

Vermorzeld
Die oplossing schiet ook door het hoofd van hoofdpersoon Rosalie, maar zij brengt hem als welkomstcadeautje naar haar nieuwe buurjongen Zeger. Hij bouwt straaljagers, draagt ouderwetse ruitjesoverhemden en praat een beetje raar, plechtig. In Hij & Ik raken Rosalie en Zeger bevriend, hoe verschillend ze ook zijn. Maar na de vakantie komen er problemen: op de middelbare school valt Zeger wel érg uit de toon. ‘Zelf had ik vroeger ook zo’n klasgenoot. Ik praatte alleen na schooltijd met hem, als niemand het zag. Ik schaamde me.’

Eigen eilandje
Dat was laf, vindt Judith, maar toch ook begrijpelijk. Je moet stevig in je schoenen staan, als je durft af te wijken van de grote groep. Of juist niet? Door af te wijken blijft Zeger juist buiten alle groepsdruk. ‘Hij vindt het gemakkelijker om op zijn eigen eilandje te zitten en zich niets van anderen aan te trekken. Daardoor keert de klas zich tegen hem. Rosalie doet haar uiterste best om bij de groep te horen en zich aan te passen. Maar ze twijfelt. Ze vindt Zeger toch ook een heel leuke vriend.’

Engelenkoor
Hoewel ze met de groep meedoet, is ze zelf ook wel een wonderlijke geest. Ze heeft haar eigen engelenkoor, dat haar altijd in de gaten houdt en soms helpt bij ingewikkelde keuzes. Wanneer ze met Zeger in het park zit (op een ‘prettige plaid’, stelt hij vast) zien ze in de struiken een oud vrouwtje staan. Ze bespiedt hen. En ze heeft een schaar in haar hand, verzinnen ze samen. Dat verbaast Rosalie: ‘Gewoonlijk verzon ik de wereld in mijn eentje. Ik geloofde graag in wat ik zelf bedacht had, maar ik vertelde er eigenlijk nooit over, aan niemand.’ Zeger wordt de eerste aan wie ze vertelt over het engelenkoor. Fantaseren is leuk, maar fantasieën delen met een geestverwant leuker.

Platwalsende roltrap
Twijfels slingeren Rosalie heen en weer. Judith: ‘ Blind mee dobberen op de golven van de groep, dat is niet slim, dan verlies je je eigenheid. Hij & Ik is een pleidooi voor eigenzinnigheid, maar ook weer niet voor afzondering, zoals Zeger doet. Wel meedoen, maar niet volgen.’ Zo zijn Judiths boeken misschien ook wel: ze beschrijft een herkenbare wereld, maar door haar eigen ogen. Met een beetje fantasie à la de Pik op Schotel dus. ‘Rosalie maakt altijd een sprongetje aan het einde van een roltrap. Omdat je anders wel eens platgewalst en meegesleurd kon worden, zo de grond in. Dat dacht ik vroeger echt. Het is voor mij onmogelijk om de wereld niet zo te bekijken.’